“Scholen mogen proactiever zijn”

Door Claudia Smit
Scholen mogen proactiever zijn

In gesprek met inspecteur Anne Bergsma

Kort voor de zomer ontvingen zo’n 140 VO-scholen een briefje van de inspectie met een waarschuwing of attendering. Soms kwam de brief als een verrassing. Beter is het als dat niet zo is. “Als je zo’n brief krijgt en je bent erdoor verrast, moet je je eigenlijk afvragen hoe dat komt”, vindt Anne Bergsma, inspecteur voor het voortgezet onderwijs.

De inspectie verzond dit schooljaar ongeveer honderd attenderingen en veertig waarschuwingen. De onderwijskwaliteit op de ontvangende scholen loopt op enig punt risico. Althans, een risico dat door de inspectie is gesignaleerd. “Er zijn natuurlijk ook andere risico’s”, benadrukt Anne Bergsma. “Je hebt niet alleen de risico’s op het gebied van de onderwijsresultaten – R1, R2, R3 en CE – er zijn er veel meer, bijvoorbeeld op het gebied van voortijdig schoolverlaten, de rekentoets enzovoort.” Dergelijke risico’s geven geen aanleiding voor een briefje, legt Bergsma uit. “We gaan hierover wél met een school of bestuur in gesprek. ‘Wij constateren dit en dit. Hebt u dat ook gezien? En wat gaat u eraan doen?’”

Resultatenmodel

Vandaag is Anne Bergsma op de bijeenkomst voor ‘risicoscholen’ die Leren verbeteren organiseerde. Hij opent de bijeenkomst met een helder verhaal over risico’s en onderwijsresultaten en bespreekt in detail het resultatenmodel. “Niet met de suggestie dat dat het enige belangrijke is”, benadrukt Bergsma, “maar het is wel een soort lakmoesproef die laat zien of er iets aan de hand is.” Alle aanwezigen kennen het resultatenmodel, maar het blijft complexe materie. Ondanks het feit dat het resultatenmodel tegenwoordig eigenlijk eenvoudiger is dan voorheen. Bergsma staat dan ook vooral stil bij de veranderingen. “We werken niet meer met bolletjes. U bent boven of onder de norm”, trapt hij zijn verhaal af. “Die norm ligt nu voor een aantal jaren vast. Daarna kijken we of die voldoet en stellen we de norm opnieuw voor een aantal jaren vast.”

De vier indicatoren van het Onderwijsresultatenmodel

R1 Positie in leerjaar 3 ten opzichte van het advies van de basisschool (onderwijspositie t.o.v. advies PO)
R2 Percentage onvertraagde studievoortgang in leerjaar 1 en 2 (onderbouwsnelheid)
R3 Percentage onvertraagde studievoortgang vanaf leerjaar 3 per afdeling (bovenbouwsucces)
CE Gemiddeld cijfer Centraal Examen van alle vakken per afdeling (examencijfers)

Normen

Bij de bepaling van de norm per indicator probeert de inspectie tegenwoordig meer rekening te houden met de leerlingenpopulatie. De normen verschillen niet alleen per onderwijstype, maar ook de kenmerkende achtergrond en ondersteuningsbehoeften van de leerlingenpopulatie kunnen invloed hebben. Een school wordt beschouwd als risicoschool als twee of meer indicatoren onvoldoende zijn. “Dan gaan we vragen stellen.” Er is één uitzondering. “Als R1 en R2, die beide betrekking hebben op het onderbouwrendement, allebei onvoldoende zijn, dan is het ‘onvoldoende, tenzij’. Die zitten zo met elkaar verweven, dat ze beide onvoldoende kunnen zijn door één en dezelfde oorzaak.”

Expertoordeel

Een belangrijke wijziging is dat het resultatenmodel niet meer automatisch tot een oordeel leidt. “Nu leidt het model wel tot een getal, maar die berekening is niet het einde. De berekening leidt mogelijk tot een gesprek. Op basis daarvan kunnen we een expertoordeel formuleren. Dat betekent dus dat een getal strikt genomen onvoldoende kan zijn, terwijl het oordeel voldoende is.”

SE-CE

Een andere belangrijke wijziging is dat er één indicator is ‘vertrokken’: het verschil SE-CE. Althans, helemaal weg is die niet. “Het SE-CE-verschil is geen kwaliteitscriterium meer omdat deze indicator niet meer discrimineerde. We konden op basis van deze indicator geen onderscheid meer maken in kwaliteit. Maar het is wel een risicofactor gebleven. Bij grote verschillen doen we onderzoek naar wat hieraan ten grondslag ligt.”

Attenderingen

Constateert de inspectie risico’s op basis van de indicatoren, dan krijgen scholen een brief. Het kan gaan om een attendering of waarschuwing. “Er is soms wat verwarring over de attenderingen”, vertelt Bergsma. “Dat komt doordat een attendering niet altijd goed zichtbaar is in de eigen resultaten. De resultaten over drie jaar zijn nog voldoende, maar in het laatste jaar zijn er twee indicatoren onvoldoende. Zie onze brief als een milde vorm van belangstelling van de inspectie. Daarmee kunnen scholen het hunne doen. Wat dat precies is, weten wij niet. Want wij weten niet wat een school zelf al heeft geconstateerd en heeft gedaan. Onze attendering is immers gebaseerd op data die alweer bijna een jaar oud zijn.”

Waarschuwingen

De waarschuwingen die de inspectie verzendt, hebben geen betrekking op de resultaten per jaar, maar op gemiddelde resultaten. “Bij een waarschuwing is het gemiddelde over twee jaar onvoldoende, maar het gemiddelde over drie jaar niet. Dat betekent dus ook dat de resultaten in het laatste jaar alweer beter kunnen zijn dan in het jaar ervoor.” In het verleden deed de inspectie in dergelijke gevallen preventief kwaliteitsonderzoek, maar dat is veranderd. “Het kan wel zijn dat we, in overleg met het bestuur, op een dergelijke afdeling onderzoek gaan doen in het kader van ons bestuursgerichte toezicht.”

Dienstverlening

“Zie onze briefjes als dienstverlening”, zegt Bergsma. “Ik bedoel dat niet cynisch – licht ironisch misschien – maar eigenlijk zou een bestuur of school die risico’s zelf ook al moeten hebben gezien.” Zeker gezien het feit dat de briefjes gebaseerd zijn op resultaten van het vorige jaar. “Zo’n waarschuwing komt als de nieuwe resultaten alweer bijna bekend zijn. Vanmiddag zei iemand nog tegen me dat wij altijd in de achteruitkijkspiegel kijken. En dat klopt. Dat is ook een nadeel. Het is daarom belangrijk dat scholen zelf eerder zicht op de resultaten hebben. Dan kunnen ze er eerder wat aan doen en kunnen ze ons daar ook over informeren. Dat kan belangrijk zijn voor het expertoordeel.”

Proactief

Scholen die een brief hebben gekregen en verrast zijn, moeten snel in beweging komen, vindt de inspecteur. Als je het niet zag aankomen, is het tijd om de oorzaken te onderzoeken. “Maak daarbij ook gebruik van de middelen en mogelijkheden die scholen vanuit Leren verbeteren ter beschikking staan. Is er een risico, haal dan expertise in huis.”

Het kan ook geen kwaad zelf contact met de inspectie te zoeken. “Scholen en besturen die risico’s signaleren, mogen wel wat proactiever contact met de inspectie zoeken. Dan kun je soms problemen voorkomen. Sommige besturen doen het wel. Die vragen ons om mee te denken en mee te kijken. Als mij dat wordt gevraagd, probeer ik altijd aan zo’n verzoek gehoor te geven. Want een inspecteur die benaderbaar is en blijk geeft van belangstelling voor de school, het bestuur en het onderwijs, kan veel effectiever zijn dan een inspecteur die vanuit een ivoren toren zijn strenge oordeel velt. Dus wees proactief, in alle vormen en in elke zin van het woord. Dat is een uitnodiging.”

Meer weten?

Voor uitgebreide informatie over het Onderwijsresultatenmodel van de inspectie kunt u terecht op de website van de Inspectie van het Onderwijs. >>

Terug naar overzicht
Kwaliteit verbeteren in 6 stappen

Kwaliteit verbeteren in 6 stappen

In zes concrete stappen werkt u aan het verbeteren van opbrengsten en onderwijskwaliteit. Hierbij is niet alleen aandacht voor wat scholen kunnen doen om de onderwijskwaliteit te verbeteren, maar vooral ook
met wie en hoe.

Ga zelf aan de slag met ons materiaal

Brochures

Gebruik de handige brochures en praktische waaiers uit ons informatiepakket en laat u inspireren door de praktijkervaringen in diverse artikelen

Direct inzicht in de stand van zaken

Urgentiemeter

Deze meter geeft u een prognose van het komend inspectieoordeel, het urgentiebesef en de actiegerichtheid van uw school. Zijn de juiste ingrediënten in huis om een kwalitatief gezonde school te blijven of te worden?