Inspectie over onderzoekskader 2017: “Voor ons is het ook allemaal nieuw”

Door Claudia Smit

Nog even, dan verandert de wijze waarop de onderwijsinspectie toezicht houdt op de kwaliteit van het onderwijs. Per augustus 2017 treedt het nieuwe onderzoekskader in werking. Het zal wennen zijn voor het onderwijs, maar ook voor de inspectie zelf. “Voor ons is het ook allemaal nieuw”, benadrukt Karin Plantinga van de inspectie tijdens een bijeenkomst met adviseurs van Leren verbeteren. Maar de essentie is helder: “Wat gaat er goed? Wat kan er beter? En wat móet er beter?”

Dit schooljaar trekt de inspectie het land in om iedereen vertrouwd te maken met de nieuwe manier van werken. Overal in het land worden gesprekken gevoerd en presentaties gegeven en bij diverse besturen in het voortgezet onderwijs werden al pilotonderzoeken gehouden volgens de nieuwe werkwijze. Op vrijdag 9 december ging inspecteur Karin Plantinga in gesprek met de adviseurs van Leren verbeteren, die zich uiteraard ook verdiepen in het vernieuwde toezicht.

Continue verbetering

Plantinga is blij dat binnenkort het nieuwe onderzoekskader in werking treedt. “We zagen op heel veel scholen dat de basis wel op orde is, maar we zagen ook dat er heel veel kansen bleven liggen om de kwaliteit verder te versterken. De vraag dringt zich dan op: hoe kunnen we scholen uitdagen net even iets meer te doen? Net even iets meer uit leerlingen te halen?” Het nieuwe onderzoekskader beoogt bij te dragen aan een cultuur van continue verbetering.

Oordeel en aanbevelingen

Over de stimulerende rol van de inspectie is in de politiek hevig gediscussieerd, vanuit een sterke behoefte aan een duidelijke scheiding tussen de controlerende en stimulerende taken. Vanuit die gedachte bevat het eindrapport van de inspectie in de toekomst twee duidelijk gescheiden delen. In het eerste toetst de inspectie of de school voldoet aan de – wettelijk verankerde – deugdelijkheidseisen, zoals de bevoegdheid van leraren, het aantal lesuren en de aandacht voor sociale veiligheid en burgerschap. In het tweede deel gaat de inspectie in op de eigen ambities van de school zoals met betrekking tot het pedagogisch klimaat, lesmethodes en dergelijke. Daarover mag de inspectie dan geen oordeel vellen, maar alleen aanbevelingen doen.

Aansluiten bij besturen

“Een ander punt”, vervolgt Plantinga, “was dat we beter wilden aansluiten bij de besturen en hun ambities. Besturen worden nadrukkelijker een aanspreekpunt en vanuit dat contact richten we de onderzoeken in.” Dat maakt dat er nu meer dan voorheen ruimte is om al aan de voorkant van het traject met de inspectie in gesprek te gaan.

Het liefst ziet de inspectie dat een bestuur beleidsrijk opereert en goed zicht heeft op de kwaliteit in de scholen. “Het mooist is het als een bestuur kan laten zien waar het mee bezig is en dat het dat ook evalueert. Dan kunnen wij samen met dat bestuur een verificatieonderzoek opzetten en – als het klopt wat het bestuur zegt – daarna de school een voldoende geven.”

De grote betrokkenheid van schoolbesturen bij de onderzoeken, roept bij de Leren verbeteren-adviseurs de vraag op hoe ver we verwijderd zijn van de situatie dat een school of bestuur zijn eigen inspectierapport schrijft. “Als wij goed in beeld hebben dat een bestuur zicht heeft op de kwaliteit in de scholen, dan zullen we een school veel sneller loslaten”, bevestigt Plantinga.

Een onvoldoende voor het bestuur?

De rol van besturen verandert ook in een ander opzicht. Besturen zelf worden óók ‘objecten van toezicht’. Dan gaat het met name om kwaliteitszorg en financieel beheer. Ook een bestuur kan dus straks een onvoldoende krijgen! “Dat is spannend”, geeft Plantinga toe. “Zeker als het bestuur uit slechts één persoon bestaat.” Maar het is ook logisch; het bestuur is immers eindverantwoordelijk voor de kwaliteit en de continuïteit van het onderwijs. Wat er gebeurt bij een onvoldoende voor een bestuur? “Daar zijn allerlei escalatieladders voor”, vertelt Plantinga. “Dan komt een raad van toezicht in beeld en als het echt ernstig is, kan ook de minister worden betrokken. Maar hoe de procedure dan exact verloopt, weet ik nog niet.”

De waardering ‘goed’

Een derde grote verandering is dat de inspectie ook uitspraken gaat doen over ‘goed onderwijs’. “We kunnen straks de waardering ‘goed’ geven”, vertelt Plantinga. “En een bestuur kan daar ook om vragen. Mits zo’n bestuur zo’n verzoek goed kan verantwoorden kan de inspectie op een school een onderzoek doen dat kan uitmonden in de waardering ‘goed’.” Het is natuurlijk ook een risico, benadrukt Plantinga. “Want als wij tijdens het onderzoek heel andere bevindingen doen, dan zegt dat ook iets over het bestuur.”

Onderzoekskader 2017

De inhoud van het vernieuwde toezicht staat beschreven in het nieuwe onderzoekskader 2017, dat werd vastgesteld in oktober 2016. De oude benaming ‘toezichtkader’ gaat dus verdwijnen. Het onderzoekskader omvat een waarderingskader, waarin omschreven wordt wat de inspectie onderzoekt, en de werkwijze, die duidelijk maakt hoe de inspectie dat doet.

Waarderingskader

Karin Plantinga neemt in haar presentatie de Leren verbeteren-adviseurs mee door het nieuwe waarderingskader. Er zijn straks vijf kwaliteitsgebieden en per kwaliteitsgebied zijn standaarden geformuleerd. In totaal zijn er 19 standaarden. Per onderzoek wordt in overleg met het bestuur bepaald welke standaarden worden onderzocht.

Kwaliteitsgebieden en standaarden VO

OP Onderwijsproces
OP1 Aanbod
OP 2 Zicht op ontwikkeling
OP 3 Didactisch handelen
OP 4 Extra ondersteuning
OP 5 Onderwijstijd
OP 6 Samenwerking
OP 7 Praktijkvorming/stage
OP 8 Toetsing en afsluiting
SK Schoolklimaat
SK 1 Veiligheid
SK 2 Pedagogisch klimaat
OR Onderwijsresultaten
OR 1 Resultaten
OR 2 Sociale en maatschappelijke competenties
OR 3 Vervolgsucces
KA Kwaliteitszorg en ambitie
KA 1 Kwaliteitszorg
KA 2 Kwaliteitscultuur
KA 3 Verantwoording en dialoog
FB Financieel beheer
FB 1 Continuïteit
FB 2 Doelmatigheid
FB 3 Rechtmatigheid

Deugdelijkheidseisen en ‘eigen aspecten van kwaliteit’

Voor elk van de 19 standaarden is gedefinieerd wat valt onder basiskwaliteit (de deugdelijkheidseisen) en welke wettelijke eisen van toepassing zijn, en wat optioneel is. De aspecten die vallen onder basiskwaliteit moeten een bestuur en school op orde hebben. Bij de – optionele – ‘eigen aspecten van kwaliteit’ gaat het om de eigen ambities, de aspecten die zijn opgenomen in het schoolplan en de wijze waarop de school die realiseert.

De onderverdeling in basiskwaliteit en eigen aspecten van kwaliteit roept bij de adviseurs van Leren verbeteren de nodige, inhoudelijke vragen op.  “Waarom staat doelgerichtheid er niet bij?” “Waarom is differentiëren nu een normindicator? Dat was voorheen niet zo.” “Ik mis iets, of staat het er misschien wel maar dan in andere woorden?” De verwarring blijkt ten dele te worden veroorzaakt door het feit dat de lijsten met ‘eigen aspecten van kwaliteit’ slechts voorbeelden bevatten. “Die lijstjes zijn zeker niet limitatief”, benadrukt Plantinga met klem. “Er zijn ook andere voorbeelden denkbaar.”

Onderzoek op twee niveaus

Tijdens het vierjaarlijkse onderzoek doet de inspectie straks onderzoek op twee niveaus. Allereerst op het niveau van het bestuur: naar de kwaliteitszorg en het financieel beheer. Ten tweede op het niveau van scholen.  Op schoolniveau zijn er naast de reeds genoemde onderzoeken naar goede scholen nog twee andere soorten onderzoek: verificatieonderzoek/schoolbezoek en kwaliteitsonderzoek bij risicoscholen.

In een verificatieonderzoek beoordeelt de inspectie op schoolniveau in hoeverre de informatie van het bestuur over de onderwijskwaliteit overeenkomt met haar eigen waarnemingen. Met dit onderzoek krijgt de inspectie ook een beeld van de kwaliteit op die scholen. Het gaat bij verificatieonderzoek niet alleen om de vraag of de informatie van het bestuur juist is, maar ook om de vraag of de sturing op kwaliteit in de praktijk werkt. Een kwaliteitsonderzoek moet antwoord geven op de vraag of er sprake is van wettelijke tekortkomingen en of de school al dan niet voldoet aan de basiskwaliteit.

Vaste fasering

De onderzoeken kennen een vaste fasering. Er wordt gestart met een expertanalyse van beschikbare informatie. “We hebben natuurlijk al veel informatie. Vooral ook met betrekking tot de leerresultaten.” Daarna volgt een startgesprek met het bestuur.

Op basis van de expertanalyse en het startgesprek maakt de inspectie vervolgens een onderzoeksplan en daarna volgen de onderzoeken bij het bestuur en op school- of opleidingsniveau. “Die zullen we vaak op een wat andere manier insteken. We hebben andere onderzoeksmethoden bedacht. We kunnen bijvoorbeeld een leerling vragen om een dag met ons lessen te bezoeken. We blijven creatief. Ook zullen we vaker met docenten in lessen gaan kijken. Dat doen we ook weleens met de schoolleiding, maar alleen als het heel veilig is. De leiding heeft, begrijpelijk, weleens de neiging om dingen die niet helemaal goed waren, achteraf op te pakken. En dat is niet de bedoeling van onze onderzoeken.”

Elk inspectietraject wordt afgesloten met een eindgesprek, waarin het bestuur feedback kan geven, en – uiteindelijk – een definitief rapport. In het geval van risico-onderzoeken vinden er optioneel ook feedbackgesprekken op de scholen plaats. Als het rapport van de inspectie definitief is wordt het gepubliceerd op de site van de inspectie en wordt het vervolgtoezicht bepaald. De mogelijke eindconclusies: voldoet, voldoet niet (onvoldoende), zeer zwak en goed. De oordelen voldoende, onvoldoende en zeer zwak zijn uitsluitend gebaseerd op de vraag of het bestuur/de school voldoet aan de deugdelijkheidseisen. Voor de waardering goed worden de eigen aspecten van kwaliteit bij de oordeelsvorming betrokken.

Sneller zeer zwak?

Ter voorbereiding op augustus 2017 doet de inspectie op een aantal VO-scholen pilot-verificatieonderzoeken. Er worden geen pilots gedaan met risico-scholen. Die worden dit schooljaar nog op basis van het huidige kader beoordeeld. In de verificatiepilots onderzoekt de inspectie of de uitkomsten van onderzoeken met het oude en nieuwe kader verschillen. “Het kan zeker uitmaken”, bevestigt Plantinga. “Ik heb het idee dat we misschien sneller uitkomen bij een zeer zwak oordeel, maar dat moet de praktijk nog uitwijzen.”

Van belang is in elk geval dat alle inspecteurs vergelijkbaar opereren, zodat besturen en scholen zo objectief mogelijk beoordeeld worden. “We hebben als inspecteurs hier veel overleg over en gaan veel met elkaar op pad. Ook bijeenkomsten als dit (met Leren verbeteren, red.) versterken ons eigen denkproces. Het kader is straks nog minder een afvinklijst dan in het verleden. Je moet als inspecteur ook altijd je gezonde verstand blijven gebruiken.”

Verder lezen?

Download hier het volledige Onderzoekskader 2017 voor het toezicht op het voortgezet onderwijs van de Onderwijsinspectie.

Terug naar overzicht
Kwaliteit verbeteren in 6 stappen

Kwaliteit verbeteren in 6 stappen

In zes concrete stappen werkt u aan het verbeteren van opbrengsten en onderwijskwaliteit. Hierbij is niet alleen aandacht voor wat scholen kunnen doen om de onderwijskwaliteit te verbeteren, maar vooral ook
met wie en hoe.

Ga zelf aan de slag met ons materiaal

Brochures

Gebruik de handige brochures en praktische waaiers uit ons informatiepakket en laat u inspireren door de praktijkervaringen in diverse artikelen

Direct inzicht in de stand van zaken

Urgentiemeter

Deze meter geeft u een prognose van het komend inspectieoordeel, het urgentiebesef en de actiegerichtheid van uw school. Zijn de juiste ingrediënten in huis om een kwalitatief gezonde school te blijven of te worden?